Deskundigheid in gebouwen met focus op Corona

Deskundigheid in gebouwen met focus op Corona Door: FHI federatie van technologiebranches

 

Wat kunt u doen om de situatie te verbeteren en besmettingsgevaar te verkleinen?

Disclaimer

Dit document is door een aantal leden van branchevereniging Gebouwautomatisering van de FHI met grote zorg samengesteld. Gezien de onduidelijkheid rondom COVID-19 is het belangrijk om te onderkennen dat de opstellers en uitgever van dit document niet aansprakelijk of verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van het wel of niet toepassen van de maatregelen die hier worden benoemd.

 

  1. SAMENVATTING
  2. GEBOUWDE OMGEVING EN CORONA
  3. BESMETTING en TRANSMISSIEWEGEN
  4. GEADVISEERDE MAATREGELEN
  5.  BEGRIPPENLIJST.
  6. WAT TE DOEN?
  7. WANNEER IS EEN GEBOUW VEILIG?
  8. VAN THEORIE NAAR PRAKTIJK PER MAATREGEL
    1. Aanpassen ventilatie hoeveelheden
    2. Aanpassen bedrijfstijden ventilatie.
    3. Continubedrijf ventilatie instellen.
    4. Openen van ramen
    5. Ventilatie en ruimtegebruik.
    6. Toilet ventilatie
    7. Sanitaire hygiëne
    8. Recirculatie voorkomen (centraal)
    9. Warmte terugwinning apparatuur controleren
    10. Fancoil units en plafond inductie units, (recirculatie lokaal) 
    11. Verwarming, Koeling en mogelijke bevochtiging setpoints
    12. Reiniging kanalen
    13. Wat te doen met luchtfilters.
    14. Binnenluchtkwaliteit monitoring en andere GBS data

1.      SAMENVATTING

 

Binnen gebouwen worden diverse technieken ingezet, om gebruikers een gewenst klimaat en een passende functionaliteit te bieden. Door de COVID-19 pandemie is aandacht ontstaan voor het belang van ventilatie. De rol van ventilatiesystemen is primair gericht op het op peil houden van het zuurstofgehalte. Inmiddels is het een algemene tendens, dat verspreiding van het virus beperkt wordt door goede ventilatie.

 

De vraag in de maatschappij is echter breder: Is ons gebouw wel veilig en zijn werkplekken veilig te gebruiken?

 

In dit document wordt structureel gekeken naar de gehele context van de gebouwde omgeving. De generieke beelden rond besmetting, transitiewegen en geadviseerde maatregelen zijn van belang. De deskundigheid voor de gezondheidszorg is een ander vakgebied. De focus in dit document richt zich op theoretische adviezen voor de gebouwde omgeving en deze om te zetten naar een praktische uitvoering.

 

Op basis van een quick-scan (hoofdstuk 6) kan een professional acties en praktische stappen per maatregel adviseren. In dit document komen gedetailleerde adviezen aan de orde, die voornamelijk gericht zijn op de (technische) professionals die de (technische) faciliteiten inrichten, aanpassen of beheren.

 

Voor alle maatregelen geldt dat ze ordentelijk in bedrijf moeten worden genomen, gecontroleerd op hun goede werking en waar nodig uitgebreid functioneel getest. Wijzigingen in ontwerp en uitgangspunten moeten goed vastgelegd worden in logboeken en revisiebescheiden. Gebruikers dienen juist geïnstrueerd te worden.

 

Naast een deskundige inzet van technische systemen in een gebouw, dienen algemeen geadviseerde maatregelen (bijvoorbeeld afstand houden en thuisblijven bij vermoeden van besmetting) goed gevolgd en gecommuniceerd te worden.

 

Er spelen veel factoren een rol en er zijn veel verschillende soorten (functies van) gebouwen, dat er niet op een eenduidige wijze vast te stellen is of een gebouw (corona) veilig is. Met behulp van de quick-scan (hoofdstuk 6) en een plan van aanpak kan men een eerste inventarisatie maken van de te nemen maatregelen. Voor de technische installaties kan een professional dan advies geven voor het nemen van maatregelen in het gebouw met nadruk op de volgende vijftien mogelijke maatregelen:

 

  1. Aanpassen ventilatie hoeveelheden
  2. Aanpassen bedrijfstijden ventilatie
  3. Continubedrijf ventilatie instellen
  4. Openen van ramen
  5. Ventilatie en ruimtegebruik
  6. Toilet ventilatie
  7. Sanitaire hygiëne
  8. Recirculatie voorkomen (centraal)
  9. Warmteterugwinning apparatuur controleren
  10. Fan coil units en plafond inductie units, (recirculatie lokaal)
  11. Verwarming, Koeling en mogelijke bevochtiging setpoints
  12. Reiniging kanalen
  13. Wat te doen met luchtfiltering?
  14. Binnen luchtkwaliteit monitoring en andere GBS-data.
  15. Slimmer gebruik van de beschikbare data in het Gebouw Beheer Systeem en Apps

 

Deze maatregelen worden in hoofdstuk 8 in detail beschreven.

2.      GEBOUWDE OMGEVING EN CORONA

 

De COVID-19 pandemie heeft na de nodige (wetenschappelijke) discussies en onderzoeken met betrekking tot  het verspreiden van virussen binnen gebouwen de aandacht  gevestigd op de rol van ventilatiesystemen hierin. Ventilatie heeft primair de functie om het zuurstofgehalte op peil te houden en de afgewerkte lucht (CO₂) en “luchtjes” af te voeren. In het kader van Corona komt er een functie bij en dat is het “verdunnen” van mogelijk infectueuze lucht en het afvoeren hiervan.

 

Hoewel aanvankelijk niet alle deskundigen en virologen (volledig) overtuigd waren van de besmettelijkheid van een aerosole verspreiding, is de algemene tendens wel dat bij deze verspreiding in aerosole vorm, waarbij de virusdeeltjes verder dragen en de geïnfecteerde lucht een veel groter bereik heeft, een goede en efficiënte ventilatie van belang is. Het RIVM geeft ook aan dat een goede ventilatie vooral in ruimten waar veel personen zich voor langere tijd bevinden een substantieel aandeel kan hebben in het beperken van de besmetting. Hierbij zij aangetekend dat ventilatie zeker niet de heilige graal is, maar dat ook vooral de gedragsmaatregelen ten aanzien van afstand houden en thuisblijven bij (vermoeden van) besmetting belangrijk zijn.

 

Inmiddels zijn en worden er door diverse instanties en deskundigen allerlei adviezen gegeven om de verspreiding van het virus te beperken en ook maatregelen om weer terug te kunnen keren naar een werkbare situatie op de werkvloer.

Voor veel werkgevers en werknemers rijzen vragen op: Is ons gebouw wel veilig? Zijn de werkplekken veilig te gebruiken? Wat moeten we doen om weer veilig te kunnen werken? De antwoorden hierop zijn niet eensluidend en hangen sterk af van de aard van de werkzaamheden, de bezetting van het gebouw en de aard van de personen (leeftijd, gezondheid etc. ). Voor een school gelden andere uitdagingen dan voor een kantoor of een theater.

 

In Nederland worden landelijk door de regeling vooral veel gecommuniceerd ten aanzien van het gedrag op basis van de adviezen van het RIVM en het Outbreak Management Team (OMT). Voor de technische aspecten zijn er meerdere organisaties en belangenverenigingen die hun zegje doen. Naast adviezen op het gebied van gedrag, geven zij ook richtlijnen hoe om te gaan met de technische installaties. Zo zijn er het Corona Expert Panel, een samenwerkingsverband van oa TNO, VCCN, TUe en Royal HaskoningDHV, en bijvoorbeeld TVVL en binnenklimaat.nl.  Internationaal hebben ASHREA en REHVA van zich doen horen.

 

De maatregelen die men aangeeft bevatten over het algemeen dezelfde actiepunten. De adviezen betreffen primair maatregelen met betrekking tot het gedrag zoals het houden van voldoende afstand en wat betreft de installatie voor ventilatie, zowel op centraal als decentraal gebied. De adviezen zijn algemeen geformuleerd zodat ze voor ‘iedereen’ te begrijpen zijn en grijpen terug op wetenschappelijk onderzoek.

 

Deze adviezen op zich zijn over het algemeen goed maar ook erg theoretisch. Er wordt een gemis gevoeld om de adviezen praktisch uit te kunnen voeren. Met hulp van deskundige partijen en wie zijn dat dan? Verder betreffen de adviezen primair de (werktuigbouwkundige) lucht verdeel techniek. Geen binnenklimaatinstallatie kan echter zonder een integrale meet- en regelinstallatie of een gebouwbeheersysteem (GBS). Dus moeten we ons de vraag stellen; hoe maken we de stap van theoretische adviezen naar praktische uitvoering?

Aangezien nog steeds niet alles bekend is rondom de verspreiding en besmettelijkheid van het virus, is het lastig en deels ook onmogelijk om eenduidige en gekwantificeerde eisen te stellen aan een gebouw en gebouwinstallaties voor een bepaald gebruik. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat rekening moet worden gehouden met de zaken die nog niet zijn uit te sluiten. Hier moeten dan goed overwogen en proportionele (subjectieve) maatregelen voor genomen worden.

 

De maatregelen kunnen situatie specifiek zijn en kunnen mogelijkerwijs bij voortduring aangescherpt worden dan wel op enigerlei andere wijze moeten worden aangepast. Maatregelen zijn dus deels maatwerk met betrekking tot het gebruik (vereiste prestaties), de beheer- en monitoringcapaciteit, het gebouw en de gebouwinstallatie.

Met dit document beoogt de Nederlandse brancheorganisatie voor Gebouw Automatisering een toelichting te geven op de maatregelen die genoemd worden en een voorstel voor de werkwijze hoe te komen tot de invulling en uitvoering hiervan.

 

3.    BESMETTING en TRANSMISSIEWEGEN

 

Bij de keuze ten aanzien van maatregelen om de besmetting te voorkomen, is het belangrijk om de verschillende maatregelen in volgorde van belangrijkheid te beschouwen:

  1. Vermijd risico: beperk grote bijeenkomsten en grote concentraties van personen;
  2. Bronbestrijding: voorkom contact met geïnfecteerde personen door quarantaine;
  3. Technische maatregelen: bijvoorbeeld het openen van ramen en een goede ventilatie;
  4. Administratieve maatregelen: aangepaste bezettingsgraad, beperken bezetting, administreer bezoek;
  5. Informatievoorziening: informeer medewerkers, deelnemers en klanten over de actuele situatie.

 

Om een goed beeld te krijgen van de maatregelen die nodig zijn om de werkplekken zoveel mogelijk veilig te maken voor COVID-19, is het belangrijk om te weten hoe en langs welke wegen besmetting en overdracht kan plaatsvinden. Daar dit blijvend punt van onderzoek zal zijn, is de verwachting dat, naarmate de tijd voortschrijdt, wetenschap nieuwe inzichten zal ontwikkelen. Deze inzichten dienen inbedding te krijgen in bedachte technische oplossingen en methodieken.

 

Het COVID-19 virus kan primair worden overgedragen via “druppel-contact” door direct aanhoesten. Daarnaast kan het virus 2 tot 3 dagen infectieus blijven op een oppervlak, uitgaande van een voldoende mate van concentratie van het virus.

Secundair kan besmetting plaatsvinden via aerosolen. In de lucht kan het virus een aantal uur infectieus blijven. Over de mate waarin druppel-contact en of aerosole verantwoordelijk zijn voor de besmetting is bron voor discussie, maar dat het via beide gebeurt is inmiddels wel duidelijk. Als laatste is er ook een mogelijke besmetting via fecale-orale overdracht.

Algemeen geldt dat besmetting kan plaatsvinden door direct én indirect contact.

 

Berichten en onderzoeken wijzen erop dat de verspreiding van het Corona virus het belangrijkste is in de besmetting en overdracht. Hoe groot deze rol is en welke omstandigheden hierbij in welke mate bijdragen is nog niet bekend. De mate van besmetting is onder meer afhankelijk van:

  • Bronconcentratie: hoeveel deeltjes komen vrij of worden uitgehoest en hoe infectieus zijn deze;
  • Hoever kunnen deze deeltjes zicht verspreiden? Een en ander is afhankelijk van grootte van de deeltjes, de snelheid en ventilatie;
  • De grootte van de deeltjes. De grotere deeltjes zullen binnen korte afstand tot de grond dalen (de bekende 1,5m). De kleinere deeltjes kunnen in de vorm van aerosolen verder dragen in de ruimte en ook worden meegevoerd door de ventilatie. Hoever dit is, wordt nog volop onderzocht. Daarnaast is de grootte van de deeltjes ook van belang ten aanzien van hoe diep iemand de deeltjes kan inademen;
  • De tijdsduur van de blootstelling;
  • De gevoeligheid van de ontvanger (natuurlijke aanleg, leeftijd, conditie, gezondheidstoestand, etc.);
  • Hoewel de exacte rol van ventilatie nog onduidelijk is, is wel duidelijk dat mate en vorm van ventilatie van invloed kunnen zijn op de verspreiding van de besmetting. Een minimale hoeveelheid verse lucht is noodzakelijk en meer verse lucht verkleint het besmettingsrisico. Hoe hoog het minimum moet zijn ligt niet vast en is ook sterk afhankelijk van de activiteit van de persoon. Op dit moment gaan we uit van het huidige bouwbesluit als minimum, meer is beter, maar een verdubbeling van de verse lucht hoeveelheid zal bijvoorbeeld niet direct leiden tot een halvering van de besmetting.

 

Ventilatie is van invloed op de tijdsduur van blootstelling. Als zodanig wordt ventilatie gezien als het op peil houden van het zuurstofgehalte en het afvoeren van afgewerkte lucht (koolstofdioxide) en “luchtjes”. In relatie tot Corona komt daar nu een aanvullende taak bij in het verdunnen van de concentratie micro-organismen in de lucht en het afvoeren hiervan. Omdat het meten van de Corona concentratie niet kan, wordt op moment veelal gekeken naar de CO2 concentratie voor de mate van verversing en “vervuiling” van de lucht.

 

4.    GEADVISEERDE MAATREGELEN

 

De maatregelen die men kan nemen in een gebouw zullen altijd een combinatie zijn van beïnvloeding van gedrag, aanpassing van de inrichting en de werking van de installaties. Belangrijk is wel om de gebruiker centraal te zetten in de maatregelen:

  • Maak aanpassingen zichtbaar en begrijpelijk, zodat gewenst gedrag wordt aangespoord en passende is in logisch en natuurlijk gedrag.
  • Faciliteer een werkomgeving waarin de (gebouw)techniek het doel van een tevreden gebruiker ondersteunt.
  • Organiseer voor zover nog niet aanwezig een gebruikersvriendelijke en overzichtelijk wijze van weergave en monitoring van de installaties en/of onderdelen daarvan.

 

Dit document richt zicht met name op de maatregelen die te maken hebben met de installaties. De maatregelen komen voort uit diverse publicaties en adviezen. De volgende maatregelen komen hierin terug:

  1. Aanpassen ventilatie hoeveelheden
  2. Aanpassen bedrijfstijden ventilatie
  3. Continubedrijf ventilatie instellen
  4. Openen van ramen
  5. Ventilatie en ruimtegebruik
  6. Toilet ventilatie
  7. Sanitaire hygiëne
  8. Recirculatie voorkomen (centraal)
  9. Warmteterugwinning apparatuur controleren
  10. Fancoil units en plafond inductie units, (recirculatie lokaal)
  11. Verwarming, koeling en mogelijke bevochtiging setpoints
  12. Reiniging kanalen
  13. Wat te doen met luchtfiltering?
  14. Binnen luchtkwaliteit monitoring en andere GBS-data
  15. Slimmer gebruik van de beschikbare data in het Gebouw Beheer Systeem en Apps

Onderbouwd door wetenschappelijk onderzoek dragen deze maatregelen in meer – of mindere mate bij aan het voorkomen van verspreiding van virussen binnen gebouwen. Belangrijk is ook om na te gaan hoe de huidige situatie is. De ontwerpeisen die hebben gediend bij de totstandkoming van het gebouw en installaties dienen als vertrekpunt voor de bepaling van de te treffen technische oplossingen en methodieken, als mede ook de mate van haalbaarheid daarvan.

 

Sommige maatregelen kunnen per direct zonder veel inspanning worden ingevoerd en andere vragen een meer rigoureuze aanpak. Belangrijk is dan ook om benodigde inspanning en effect te beschouwen.

 

Het spreekt voor zich dat getroffen maatregelen kunnen nopen tot een hernieuwde in bedrijfstelling, commissioning en/of genormeerde validatie. Maatregelen kunnen veranderingen veroorzaken in installaties aangaande prestaties en verbruik. Deze dienen voorafgaand aan de aanpassingen te worden onderkend, geaccepteerd en vastgelegd.

Evenzo kunnen getroffen aanpassingen leiden tot een veranderde wijze van omgang met de installaties. Hiertoe dient de ontvangende beheerorganisatie te worden geïnstrueerd en/of getraind.

 

Bij aanpassingen aan de installaties is het advies om ook te kijken in hoeverre deze aanpassingen passen in een verduurzaming van de installatie.

 

Een goed voorbeeld hiervan is bij het de aanpassing van een ventilator in een luchtbehandelingskast in verband met meer lucht op een hogere gewenste druk in verband met een betere filtering. In dat geval verdient het de moeite om hier te kijken naar een algehele vervanging van de elektromotor/ventilator combinatie door een hoge rendement elektromotor of een gelijkstroommotor met ingebouwde toerenregeling. De meer-investering is veelal binnen een aantal jaar terugverdiend door een lager energieverbruik.

 

 

5.   BEGRIPPENVERKLARING

 

Voordat er inhoudelijk ingegaan wordt op hoe de geadviseerde maatregelen geïmplementeerd kunnen worden, dienen de gebruikte termen en begrippen eenduidige en in voor iedereen begrijpbare begrippen beschreven te worden.

 

De meeste adviezen zijn opgesteld door experts waarin (wetenschappelijke en technische) begrippen voorkomen die door de meeste mensen niet of nauwelijks worden begrepen. Dit leidt tot onbegrip en gebrek aan acceptatie. Een heldere beschrijving van de gebruikte termen en begrippen draagt bij aan duidelijkheid over een voor de meeste mensen complex onderwerp en begrip voor de noodzaak van het nemen maatregelen.

 

 Begrippenlijst:

Klimaatinstallatie     

Werktuigbouwkundige installatie die voorziet in het handhaven van de klimaatcondities in een gebouw

Ventilatie

Toe en afvoeren van lucht aan een gebouw/ruimte teneinde de voldoende zuurstof (verse lucht) toe te voeren en afgewerkte- en vervuilde lucht (CO2 en “luchtjes”) af te voeren, met het doel om de lucht in de ruimte te verversen.
Aanvullend in relatie tot de huidige COVID-19 situatie:
Ventilatie wordt ook gebruikt om de infectueuze lucht te verdunnen en af te voeren.

Ventilatiehoeveelheid

De hoeveelheid verse lucht die per persoon of per m² aan een ruimte wordt toegevoerd.

Het bouwbesluit (artikel 3.34) geeft hiervoor de minimum aan te houden hoeveelheden afhankelijk van functie en bezettingsgraad.

De definitie die het Bouwbesluit hierbij aanhoudt, is het doel van ventilatie zoals dat hierboven omschreven staat. Of dit voldoende is om ook de aanvullende taak ten aanzien van verdunning en afvoer van infectueuze lucht is op moment onduidelijk, hier wordt nog aanvullend onderzoek naar verricht.

Ventilatie vs circulatievoud

Ventilatievoud (VV)is de hoeveelheid verse lucht die per uur aan een ruimte wordt toegevoerd in relatie tot de inhoud van de ruimte. Een ventilatievoud van 4 betekent dat de ruimte 4x per uur geheel wordt ververst.

Circulatievoud (CV) is de hoeveelheid lucht (recirculatie en verse lucht) die per uur aan een ruimte wordt toegevoerd in relatie tot de inhoud van de ruimte. Een circulatievoud van 4 betekent dat de ruimte 4x per uur geheel wordt doorspoeld met lucht.

Verse lucht

Is lucht die direct van buiten wordt betrokken

Geconditioneerde lucht

Het behandelen van de verse lucht waarbij deze naar gelang gefilterd, verwarmd, gekoeld, be- of ontvochtigd wordt om tot de gewenste conditie te komen.

Recirculatie

Recirculatie is het hergebruiken van retour of afzuiglucht welke wordt gemengd met de toe te voeren (verse) lucht.

Er wordt een onderscheid gemaakt in de wijze van recirculeren:

1)               Centrale recirculatie.
Dit vindt plaats in een centrale luchtbehandelingskast waarbij lucht voor een gebouw of bouwdeel wordt behandeld en een deel van de retourlucht wordt hergebruikt door recirculatie.

2)               Recirculatie tussen verschillende ruimtes
Binnen een gebouw wordt door een centraal systeem de lucht vanuit de ene ruimte via luchtkanalen weer teruggevoerd naar een andere ruimte. Dit is vergelijkbaar met 1)

3)               Recirculatie binnen één ruimte
Hierbij wordt de lucht door een apparaat of systeem vanuit de ruimte afgezogen en (deels) weer teruggevoerd aan deze ruimte

Zwenk ventilator

Lokale ventilator in de ruimte. Door de luchtstroom zorgt deze voor verkoeling door verdamping van zweet en snellere afvoer van lichaamswarmte

Binnenluchtkwaliteit

De kwaliteit van de binnenlucht wordt bepaald door de concentratie verontreinigende stoffen hierin. Vanuit installatietechnisch oogpunt omvat dit met name chemische verontreinigingen (CO, CO₂, stof) en biologische verontreinigingen (Schimmels en allergenen). Een veel gebruikte maatstaaf voor de binnenluchtkwaliteit in gebruikersruimten is het CO₂ gehalte.  Omdat de productie van CO₂ parallel loopt met de productie van geurstoffen door ons lichaam, wordt CO₂ veelal als een afgeleide waarde van de gehele vervuiling van de lucht gezien. Een waarde van 350 tot 450 ppm komt overeen met de buitenlucht in Nederland. Vanaf een waarde van 800ppm wordt de lucht als muf/minder prettig ervaren.  Een waarde van 1000 – 1200 ppm geeft aan dat de ventilatie (van verse lucht) onvoldoende is.

Als MAC waarde (Maximaal Aanvaardbare Concentratie) van CO₂ geldt 5000ppm

Bezettingsgraad

De bezettingsgraad is een maatstaf voor de m² gebruiksoppervlak per persoon. Het bouwbesluit hanteert hiervoor 5 klassen (zie artikel 1.1_6)

Luchtbehandelingskast

Centrale voorziening die een gebouw via centrale ventilatoren voorziet van geconditioneerde lucht. Afhankelijk van de toepassing voorziet deze in het filteren, verwarmen, koelen en be- of ontvochtigen van de ventilatielucht. Een luchtbehandelingskast is een vorm van mechanische ventilatie

Warmteterugwinning

Een voorziening die in staat is om de warmte uit de af te voeren lucht te onttrekken en deze over te dragen aan de toe te voeren ventilatie lucht. Sommige systemen kunnen naast warmteterugwinning ook vocht uit de afvoerlucht terugwinnen. Er zijn verschillende vormen van warmteterugwinning mogelijk. De meest voorkomende systemen zijn:

1)               Recirculatie-/Mengluchtsystemen. Hierbij wordt een bepaald percentage van de retourlucht met de verse buitenlucht gemengd en toegevoerd aan het gebouw;

2)               Twin-coil systeem. Dit systeem omvat een batterij in zowel de retourlucht- als de buitenlucht aanvoer. Deze batterijen zijn met een watersysteem met elkaar verbonden waarmee de teruggewonnen warmte uit de warme afvoerlucht kan worden toegevoerd aan de koude buitenlucht. Er is geen fysieke uitwisseling van lucht bij dit systeem;

3)               Warmtewiel. Dit is een systeem waarbij een element tussen het aanvoer- en retourkanaal ronddraait. Dit element kan de warmte uit de afvoerlucht opnemen en afstaan aan de toevoerlucht. Afhankelijk van het materiaal van het roterende element kan een warmtewiel ook vocht uitwisselen. Bij een warmtewiel is er altijd een zekere “lekkage” mogelijk van retourlucht naar de aanvoer. Een en ander is afhankelijk van de constructie, de inbouw in de luchtbehandelingskast en de onderhoudsstatus;

4)               Kruisstroomwisselaar. Dit is een element waarbij de toe- en de afvoerlucht langs elkaar stromen zonder fysiek contact. De warmte wordt uitgewisseld doordat beide luchtstromen dicht langs elkaar stromen, gescheiden door en dunne geribbelde metalen plaat. Ook een kruisstroomwisselaar kan afhankelijk van de constructie een beperkte lekkage van de afvoer naar de toevoer hebben.

Filters

Filters worden toegepast om de ventilatie lucht te zuiveren van vervuiling. De standaard toegepaste luchtfilters in luchtbehandelingssystemen zijn in staat om fijnstof tot een grootte van circa 0,3 micrometer af te vangen. Een veel toegepast type filter F7 heeft een efficiency van circa 50% voor deeltjes van 0,3 -1 µm. In situaties waarbij een hogere filterwerking gewenst is wordt een F9 filter toegepast. Deze heeft een efficiency van 85%. Beide zijn hiermee ongeschikt voor het volledig filteren van met virus besmette lucht. Inmiddels zijn de filterbenamingen gewijzigd. In de nieuwe benaming worden de filters ingedeeld aan de hand van de deeltjes die ze opvangen en hoeveel van die deeltjes ze opvangen. Hierdoor is de nieuwe benaming niet meer 1 op 1 te koppelen aan de oude methodiek. (de oude methodiek omvatte 9 klassen, de nieuwe 49 klassen). Het  voert te ver om dit hier te behandelen, zie hiervoor de bijbehorende norm ISO16890

HEPA filter

HEPA staat voor High Efficiënt Particulate Air. Dit filter houdt tot 99,99% van alle stofdeeltjes van 0,3 µm tegen. Deze filters worden met name toegepast in OK’s en zijn in staat om een groot deel van de met virusbesmette deeltjes af te vangen uit de lucht. Note: Virusdeeltjes zelf zijn veel kleiner, maar ze kunnen niet vrij in de lucht zweven. Zij zullen zich altijd hechten aan stofdeeltjes of (kleine) waterdruppels.

UV-C lucht

UV staat voor Ultra Violette licht, C staat voor het soort UV-licht. C is een ultraviolette straling met een golflengte tussen 100 en 280 nm (kortgolvige straling). Dit licht heeft een steriliserende werking op micro-organismen. Hierbij wordt middels het UV licht thymine bruggen in het DNA gevormd die zo het vermeerderen van het DNA verhinderen. Hierdoor kan een micro-organisme (schimmel, bacterie dan wel virus) zich niet meer vermeerderen en een infectie wordt hiermee voorkomen.

Luchtverdeling in de ruimte

De luchtverdeling in de ruimte heeft vooral te maken met de toevoer van ventilatielucht. Een egale verdeling van verse lucht voor de gebruikers is gewenst. De verdeling is vooral afhankelijk van toegepaste type rooster, de locatie van het rooster en ventilatie principe

Bedrijfstijden

De bedrijfstijd is de tijd dat een installatie is ingeschakeld. Vaak wordt de installatie 1 of 2 uur eerder ingeschakeld dan de gebruikstijden om het gebouw alvast “op te warmen” of alvast te doorspoelen met frisse lucht, zodat als de gebruikers binnenkomen, het al aangenaam is in het gebouw.

Gebruikstijden

De gebruikstijd, is de tijd dat de gebruikers in het gebouw aanwezig zijn. Normaliter is de gebruikstijd kleiner dan de bedrijfstijd van de installatie.

Meet- en regelinstallatie 

Een automatisch regelsysteem voor het zelfstandig besturen en regelen van de technische installaties in een gebouw. Het regelsysteem zal in hoofdzaak zorgdragen voor de volgende functies:

§   regelen, besturen en optimaliseren technische installaties

§   regelen van diverse energiestromen

§   handhaven van de comfortcondities

§   tijdafhankelijk schakelen van diverse installaties

§   beveiligen en bewaken van installatie-onderdelen

§   signaleren van storingen, temperatuur- , vocht- en andere kwaliteit onder- en overschrijdingen.

 

Gebouwbeheersysteem (GBS)

Een gebouwbeheersysteem is een overkoepelend systeem dat ervoor zorgdraagt dat de processen in een gebouw optimaal kunnen verlopen en samenwerken. Deze processen omvatten naast klimaatinstallaties ook andere systemen zoals verlichting, brandmeld- en ontruimingsinstallatie.  Een GBS heeft in hoofdzaak de volgende functies:

§   Bediening van installaties

§   Monitoring van installaties

§   Vastleggen van trendregistraties, alarmlogs en installatiegegevens zoals draaiuren

§   Automatisch laten samenwerken verschillende installaties bij een calamiteit

§   Signaleren en vastleggen van handelend optreden bij storingen (alarm log en loggen bediening)

Het gebouwbeheersysteem dient (bij voorkeur) te beschikken over een overzichtelijk, eenduidig en gebruikersvriendelijke monitoring en weergave, opdat gebruik ervan uitnodigend en eenvoudig van aard is.

Setpoints

De gewenste waarde waaraan de te regelen grootheid moet voldoen. Bijvoorbeeld ruimtetemperatuur etc.

Sensor

Meetinstrument waarmee de momentane waarde van een grootheid wordt bepaald. De waarden worden gebruikt voor de regeling van het regelsysteem, maar ze kunnen ook worden gebruikt voor monitoring en analyse door de gemeten waarde op te slaan op het GBS. Traditioneel zijn de sensoren bedraad aangesloten op de meet- en regelinstallatie. Een ontwikkeling van de laatste tijd is dat meerdere sensoren (temperatuur, relatieve vochtigheid, aanwezigheid etc) worden gecombineerd in één apparaat, waarbij de communicatie plaatsvindt via veldbus, ethernet of draadloos. Deze combi-sensoren worden vaak gebruikt voor monitoring in aanvullende applicaties.

Mechanische ventilatie

Het ventileren van een gebouw of ruimte door toepassing van mechanisch aangedreven ventilatoren die lucht aan de ruimte toe – en/of afvoeren.

Natuurlijke ventilatie

De ventilatie wordt verzorgd door onbehandelde buitenlucht. Deze lucht kan aan de ruimte worden toegevoerd via roosters boven de ramen (Dauerluftung) of via te openen ramen. Deze ventilatie wordt “op gang” gebracht door de natuurlijke trek in een gebouw of beperkte afzuiging van bijvoorbeeld de toiletten.

Hybride ventilatie

Dit is een vorm van natuurlijke ventilatie die ondersteund wordt door mechanische afvoer. Hierbij wordt de verse buitenlucht via roosters boven de ramen aan de ruimte toegevoerd. Dat gebeurt door de onderdruk van de mechanische afzuigventilator die hier speciaal voor is aangelegd.

Luchten / Spuien

Dit is een vorm van natuurlijke ventilatie waarbij door het openen van ramen en/of deuren tegenover elkaar een luchtstroom wordt opgewekt. (Hierbij wordt geen mechanische ventilatie toegepast.

Balans ventilatie

Bij deze vorm van (mechanische) ventilatie zijn de hoeveelheid toegevoerde lucht en afgevoerde lucht op elkaar afgestemd. Het is mogelijk om, indien dit gewenst is, bij balans ventilatie een licht overdruk (meer toevoer) of lichte onderdruk (meer afvoer) in te stellen.

Mengende ventilatie (centraal)

Bij mengende ventilatie worden twee of meer voorbehandelde luchtstromen met elkaar gemengd om een juiste toevoer conditie te krijgen van de ventilatie lucht.

Met mengventilatie wordt soms ook een recirculatiesysteem bedoeld, bij een dergelijk systeem wordt verse buitenlucht gemengd met reeds gebruikte retourlucht. Zie ook Recirculatie.

Mengende ventilatie (lokaal) / Inductie

Bij lokale mengende ventilatie ook wel inductie genoemd, wordt de toegevoerde verse lucht met een zekere snelheid ingeblazen en zal door inductie deze met de  aanwezige ruimtelucht worden gemengd. Door de hoge snelheid ontstaat een effectieve snelle menging van de toevoerlucht

Verdringingsventilatie

Bij verdringingsventilatie wordt de toevoerlucht met lage snelheid en een ondertemperatuur van 2 a 3K in de ruimte gebracht. Hierdoor ontstaat een luchtlaag die de verontreinigde ruimtelucht voor zich uit drukt richting het afzuigpunt.

Tocht

Tocht is een luchtstroom in de ruimte die als onaangenaam wordt ervaren door een gebruiker. Dit is afhankelijk van de relatieve snelheid van de lucht ten opzichte van de gebruiker, maar ook de omstandigheid en het seizoen. Bijvoorbeeld in de winter kan een luchtstroom met een snelheid > 0,10 m/s als hinderlijk worden ervaren, terwijl gedurende een warme zomerdag een snelheid van 0,25 m/s juist als prettig wordt ervaren.
Tocht is dus een zeer subjectieve ervaring. Daarentegen dient het wel voorkomen te worden, omdat dit het welzijn en het comfort van de gebruiker zeer negatief beïnvloedt.

Naast ergonomische redenen dient tocht ook voorkomen te worden vanwege de relatie met verzuim door ziekte ten gevolge van tocht.

BaOpt principe

Luchtsystemen die zijn uitgevoerd volgens het BaOpt principe zijn gebaseerd op een diffuse luchtmenging. Hierdoor wordt een snelle en homogene luchtmenging gerealiseerd. Het BaOpt systeem werkt op basis van luchtdruksturing op basis van temperatuur en CO₂. Bij toepassing van een BaOpt systeem verdient het aandacht om de verse lucht beperkende regelinstellingen op basis van de luchtdruksturing en/of CO2 nader te beschouwen.

Fancoilunit/ventilatorconvector

Een ventilatorconvector is een lokale unit, die veelal in het plafond of tegen de wand wordt geplaatst. De unit is voorzien van een verwarmer- en/of koelerblok, een ventilator die op meerdere toerentallen is in te stellen (handmatig of automatisch) en voorzien van een eenvoudig luchtfilter. Een ventilatorconvector werkt standaard met recirculatie vanuit dezelfde ruimte (zie recirculatie 3), waarbij veelal een aansluiting voor verse lucht van een centraal luchtbehandelingssysteem beschikbaar is.

Inductie unit

Een inductieunit is een lokale unit, die veelal in het plafond of tegen de wand wordt geplaatst. De unit is voorzien van een verwarmer- en/of koelerblok. De “aandrijfenergie” van een inductie unit is de primaire verse lucht vanuit een centraal luchtbehandelingssysteem. Door inductie (onderdruk) zuigt de unit secundaire ruimte lucht aan en vermengd, verwarmt, koelt deze en blaast de lucht vervolgens weer de ruimte in.
Een inductie unit heeft dus ook een vorm van lokale recirculatie (zie Recirculatie 3)

 

 

 

6.      WAT TE DOEN?

 

Om de benoemde maatregelen in hoofdstuk 4 te kunnen nemen dient de huidige stand van zaken en de ontwerpuitgangspunten van de klimaatinstallaties vastgesteld te worden. Alleen dan kunnen afwijkingen vastgesteld worden en de gewenste aanpassingen worden geïmplementeerd. Hiervoor kan een quick-scan worden gemaakt van het gebouw en de installaties. Een aantal belangrijke vragen komen hierbij naar voren:

  1. Wat moet er in deze quick-scan minimaal worden opgenomen?
  2. Wie kan deze inventarisatie uitvoeren?
  3. Wanneer moet de quick-scan worden uitgevoerd?
  4. Hoe en wie bepaalt welke maatregelen moeten worden uitgevoerd?

 

Inhoud Quick-scan:

Met behulp van de quick-scan kan men een eerste inventarisatie maken van de te nemen maatregelen. Een uniforme vraagstelling leidt tot meer eenduidige rapportage en adviezen. Onderdelen die minimaal in de quick-scan moeten zijn opgenomen:

  • Ontwerpuitgangspunten met betrekking tot de ventilatie en de bezettingsgraad.
  • Huidige bezettingsgraad en het gebruik in relatie tot het oorspronkelijke ontwerp (wordt het gebouw/de ruimte nog steeds gebruikt waarvoor deze ooit ontworpen is?).
  • Ontwerp en uitvoering klimaatinstallatie en ventilatiesysteem centraal en lokaal.
  • Inventarisatie gebouwbeheersysteem en meet-en regelinstallatie
    • Uitvoering klimaatregelinstallatie en de aanwezigheid van een centraal GBS
    • Instellingen klimaatinstallaties (onder andere: setpoints en bedrijfs- en gebruikstijden)
    • Aanwezigheid van sensoren, locatie, type uitvoering en nauwkeurigheid van meting
  • Wat is de gewenste situatie?

 

Wie kan deze inventarisatie uitvoeren?

Voor deze notitie beperken wij ons tot de technische installaties en de zaken die hieraan gerelateerd zijn.

De inventarisatie kan worden uitgevoerd door:

  • De eigen onderhouds- en beheersdienst;
  • De onderhoudspartij;
  • De installatie adviseur;
  • Combinatie van genoemde partijen

 

Als basis van de inventarisatie kunnen dienen:

  • Het programma van eisen
  • Het bestek
  • De revisie bescheiden
  • Het gebouwbeheersysteem
  • De beschikbare logboeken
  • De kennis van onderhoud en beheersdienst

 

Op basis van de inventarisatie kan een plan van aanpak worden opgesteld waarin de maatregelen in volgorde van belangrijkheid en implementeerbaarheid kunnen worden vastgelegd.

Van belang is wel om plan te laten toetsen door een expert ten aanzien van de COVID maatregelen.

 

In een tweede termijn kan een uitvoeriger onderzoek plaatsvinden naar de daadwerkelijke werking van de verschillende systemen. Denk hierbij aan het uitvoeren van controlemetingen met betrekking tot ventilatiehoeveelheden en monitoring van de klimaatinstallatie.

 

Wanneer quick-scan uitvoeren?

Verse lucht en ventileren kan in veel gevallen nog worden gerealiseerd door het openzetten van ramen en deuren. Echter met de herfst en de winter is dit geen aanlokkelijke optie.  Een goed werkend ventilatiesysteem zou dan wel eens noodzakelijk kunnen zijn.

Dit impliceert in die periode dat quick-scans zo snel mogelijk moeten worden uitgevoerd. Ook vanuit het oogpunt van het verschaffen van duidelijkheid aan de gebruikers en betrokken organisaties is gepaste spoed verenigd met goede deugdelijkheid aanbevelingswaardig.

 

 

Welke maatregelen moeten worden uitgevoerd?

Belangrijk om te onderkennen is dat de adviezen van meerdere partijen komen, die het niet altijd met elkaar eens zijn en dat ook de wetenschappelijke onderbouwing soms nog niet aanwezig, of niet volledig is. De vraag blijft dan nog: wie zijn de experts?  De regering volgt de adviezen van het RIVM. Het RIVM heeft haar eigen specialisten en wordt op haar beurt weer voorzien van informatie van externe adviseurs. Daarnaast zijn ook de WHO en diverse belangenpartijen actief hierin.

 

In Nederland is er het Corona Expert Panel opgericht, een samenwerking tussen TNO, TU/e, VCCN en RoyalHaskoningDHV, (expert.panel.corona@TNO.nl). Dit was primair bedoeld voor de gezondheidszorg, maar het panel richt zich inmiddels ook meer op de andere onderdelen. Bij het Expertpanel Corona kunnen vragen worden gesteld. Zij geven ook een FAQ overzicht uit, dat beschikbaar is via de website. TVVL heeft een overzicht van maatregelen op hun website gepubliceerd en geeft hier diverse onderzoeken weer. Daarnaast zijn adviezen beschikbaar via Masterplan ventilatie.nl en Binnenklimaattechniek.nl. Door de REHVA is een COVID 19 Guidance document opgesteld.

 

De maatregelen die nu zijn benoemd in hoofdstuk 4, zijn gebaseerd op de adviezen van bovenstaande instanties of een consensus dat de genoemde maatregelen effect zullen hebben, onder het mom “better safe then sorry”.

 

Als de quick-scan is gemaakt, zijn het gebouw en de (klimaat)installaties geïnventariseerd en kan aan de hand hiervan een aantal conclusies worden getrokken, ten aanzien van de noodzaak tot te nemen maatregelen.

 

Op basis hiervan dient dan een Plan van Aanpak (PvA) te worden opgesteld. Dit PvA dient minimaal te omvatten:

  • Conclusies uit de quick-scan
  • Voorstel voor te nemen maatregelen, en beoogd resultaat
  • Wijze van inpassing van deze maatregelen
  • Opgave van maatregelen die NIET worden voorgesteld met opgaaf van reden en consequentie
  • Budgetprijs voor te nemen maatregelen
  • Prioriteiten lijst van te nemen maatregelen
  • Beoogde tijdpad van implementatie

 

Van invloed op de keuze van de maatregelen is de snelheid waarmee deze kunnen worden ingevoerd, de mate van impact van de maatregel op de organisatie en natuurlijk de kosten. Het advies is om sowieso de zogenaamde quick-wins direct uit te voeren. In hoofdstuk 8 wordt hiervoor een richtlijn gegeven. Naast consequenties dient een hoofdstuk te worden gewijd aan de wijze van toetsing van de maatregelen nadat implementatie heeft plaatsgevonden. Hierin dienen de in bedrijfstelwijze, commissioning en eventuele validatie aan de orde te komen.

 

Wat ook niet uit het oog verloren mag worden is de binnenklimaatveiligheid in relatie tot comfort en welzijn van de gebruiker. Streven is immers om deze samen te laten gaan. De maatregelen die leiden tot een verminderd comfort zullen leiden tot klachten van gebruikers. Belangrijk is om het welzijn van de gebruiker mee te nemen in de uitvoering van de maatregelen en de aanpassingen zichtbaar en begrijpelijk te maken.

 

 

7.      WANNEER IS EEN GEBOUW VEILIG?

 

Gebouweigenaren en gebruikers hebben behoefte aan een leidraad om te bepalen of hun gebouw nu veilig is om te gebruiken. Echter een stempel “veilig voor gebruik” of een keurmerk ontbreekt en kan ook niet gegeven worden.  Voor welke infectie dan ook, we kunnen een gebouw ook niet “griep-proof” maken. Er is altijd een kans op besmetting.

 

Vraag is ook wat te doen als een aantal van de gewenste maatregelen met de huidige technische installaties niet of niet volledig gerealiseerd kunnen worden? De kans bestaat dat deze situatie zich voordoet. Is een gebouw hiermee dan niet veilig?

Dit laatste kan niet zo gezegd worden en is zeer situatie afhankelijk. Dit document beoogt niet om dat oordeel voor gebouwen te kunnen stellen. Het doel van dit document is een handreiking op dit punt aan de gebouweigenaren en gebruikers te geven, om hen de mogelijke maatregelen te beschrijven, die steun en onderbouwing bieden bij besluiten voor het gebruik van de gebouwen.

 

Belangrijk in het geheel is ook om vast te stellen of de genomen maatregelen goed zijn uitgevoerd en of ze het beoogde effect hebben of gaan krijgen. Dit betekent dat afhankelijk van de genomen maatregelen er nog een aanvullende controle moet plaatsvinden. Het advies is om deze controle onderdeel te laten zijn van het PvA en een aanvullend commissioningsplan.

 

8.      VAN THEORIE NAAR PRAKTIJK PER MAATREGEL

 

Hierna volgt een meer gedetailleerde beschrijving van de genoemde maatregelen met minimaal de volgende informatie:

  • Korte omschrijving van de maatregel en wat de (positieve) gevolgen ervan zijn
  • Hoe dat te realiseren en het advies voor aanpassing
  • Hoe dan te controleren

 

Voor alle maatregelen geldt dat ze ordentelijk inbedrijf moeten worden genomen, gecontroleerd op hun goede werking en waar nodig uitgebreid functioneel getest. Wijzigingen in ontwerp en uitgangspunten moeten goed vastgelegd worden in logboeken en revisiebescheiden. En gebruikers dienen juist geïnstrueerd te worden.

 

8.1.      Aanpassen ventilatie hoeveelheden

 

De basis van deze maatregel is het zoveel mogelijk zekerstellen dat er voldoende verse lucht is voor het verdunnen van de infectueuze lucht en het afvoeren hiervan. Dit wordt gerealiseerd door het vergroten van de hoeveelheid verse lucht voor de gebruikers. De kernvraag is dan: wat is voldoende verse lucht? Daarnaast is de efficiëntie van de ventilatie zeker zo belangrijk. Het heeft geen zin om grote hoeveelheden lucht aan een ruimte toe te voeren als de doorspoeling van deze ruimte niet goed is door bijvoorbeeld een slechte roosterverdeling.

 

RIVM schrijft voor dat er minimaal bouwbesluit voor ventilatie aangehouden moeten worden. Hierover is momenteel ook veel discussie (met name in scholen). Bouwbesluiteisen voor ventilatie zijn met name opgesteld om voldoende zuurstof in de ruimte te houden en CO₂ concentratie te beperken, voldoende verse lucht om een enigszins fris binnenklimaat te bieden, afvoeren van vocht ter voorkoming van schimmelvorming op de wanden, et cetera. De bouwbesluiteisen zijn niet specifiek bedacht voor voorkomen van virusbesmetting via lucht in gebouwen.

Voor een kantoortoepassing geeft Bouwbesluit bijvoorbeeld aan: 6,5 dm3/s pp, dit is 23,4 m3/h per persoon.

Het valt op, dat er binnen het bouwbesluit weinig variatie in de luchthoeveelheid wordt gemaakt naar activiteitenniveau of metabolisme. Voor ruimte met een sportfunctie gelden dezelfde eisen als voor een kantoor evenals een kinderdagverblijf. In de praktijk worden dan ook vaak aanvullende eisen geformuleerd om tot een hoogwaardiger binnenmilieu te komen. De eisen omschreven in het bouwbesluit worden daarbij als minimum basiswaarde gehouden. Er zijn verschillende richtlijnen die allen met een aantal klassen/ventilatie niveaus werken waarbij men de afweging kan maken tussen kosten, comfort en energiegebruik. En nu in relatie tot COVID19 tot verversingsgraad van de lucht.

 

De praktijkrichtlijn NPR-CR-1975 definieert bijvoorbeeld 3 kwaliteitsklassen A-B-C, dit is overgenomen in PVE  gezonde kantoren en ISSO praktijkboek gezonde gebouwen Cahier T1. Ook voor scholen zijn in het PVE frisse scholen 3 ambitieniveaus gedefinieerd. En de nieuwste norm NEN-EN 16798-1:2019 definieert zelfs 4 klassen.

 

Klasse

NPR-CR-1752

PVE gezonde gebouwen

PVE frisse Scholen

NEN-EN 16798-1

A

60 m3/h pp

60 m3/h pp

43,2 m3/h pp

(kl I) 72 m3/h pp

B

40 m3/h pp

40 m3/h pp

30,6 m3/h pp

(kl II) 50,4 m3/h pp

C

30 m3/h pp

25 m3/h pp

21,6 m3/h pp

(kl III) 28,8 m3/h pp

 

 

 

 

(kl IV) 19,8 m3/h pp

Tabel 1: vergelijk ventilatie hoeveelheden

 

Wat een veilige minimale ventilatievoud (VV) moet zijn, is op dit moment niet bekend. Hier wordt volop onderzoek naar gedaan. Maar met behulp van ventilatie kan de virusconcentratie in een ruimte worden verlaagd door toevoer van verse lucht, schone lucht en het afvoeren van de vervuilde lucht. Belangrijk is echter niet zozeer de hoeveelheid ventilatielucht, maar vooral de effectiviteit van de ventilatie op ruimteniveau. Wordt een ruimte voldoende doorspoeld en bereikt de verse lucht ook de aanwezige personen?

 

Algemeen wordt aangehouden dat voor een gemiddeld binnenklimaat comfort minimaal voldaan moet worden aan een klasse B, ongeacht de gekozen richtlijn. Kantoren met een klimaatklasse C worden over het algemeen als minder prettig ervaren en klasse A geeft een duidelijke verhoging van het comfort. Dus daar waar het mogelijk is wordt geadviseerd om minimaal klimaatklasse B aan te houden of het ventilatiedebiet te verhogen.

 

De hoeveelheid ventilatielucht wordt gebaseerd op:

  • Beschikbare capaciteit centrale luchtbehandeling;
  • Ventilatie effectiviteit;
  • Uitvoering centrale luchtbehandeling, recirculatie en of regeling op CO₂ (centraal);
  • Bezetting gebouw;
  • Beschikbaar budget.

 

Hoe te realiseren?

Vanuit de quick-scan is bepaald wat de huidige beschikbare luchthoeveelheid en bezetting is. Hieruit kan de ventilatiehoeveelheid per persoon worden berekend. Dit moet worden gespiegeld aan de gewenste en toekomstige bezetting. Hieruit kan dan herleid worden wat de capaciteit van de bestaande installatie is in relatie tot de gewenste capaciteit. Daarnaast is het belangrijk om te onderkennen hoe het ventilatiesysteem werkt ( bijv. recirculatie, warmteterugwinning ? etc)  en hoe het wordt geregeld (bijv. vast debiet, toerengeregeld, of op CO₂?...)

 

  1. Capaciteit centrale luchtbehandeling voldoet op basis van de quick scan.
  • Als op basis van de quick-scan blijkt dat de luchthoeveelheden op papier voldoen, volstaat een controle van de juiste werking en inregeling.
  • Voer een visuele controle uit van de centrale luchtbehandelingssystemen. Is de unit schoon en wat is de status van de luchtfilters?;
  • Voer een functionele controle uit van de centrale luchtbehandelingssystemen. Laat luchtmetingen uitvoeren op de LBK ’s om te controleren of de ontwerpwaarden worden gehaald. Een afwijking van maximaal 10% is acceptabel;
  • Laat van een aantal hoofdkanalen de luchthoeveelheden meten en neem een paar steekproeven in de ruimten. Blijkt meer dan 30% van de metingen meer dan 10% af te wijken, laat dan alles controleren;
  • Als alternatief voor luchtmetingen kan ook het CO₂ gehalte worden gemeten in de ruimte (tijdens gebruik). Het CO₂ gehalte zegt niet direct iets over het besmettingsrisico, maar geeft wel aan in hoeverre de ventilatie van een ruimte voldoende is in relatie tot de heersende bezetting. Een lage CO₂ concentratie wil niet zeggen dat het besmettingsrisico laag is, maar een hoog CO₂ gehalte geeft wel een waarschuwing dat de ventilatie onvoldoende is. Als voorbeeld kan een maximaal CO₂ gehalte van 900 ppm worden aangehouden. Indien het hoger is, wordt geadviseerd om meer te ventileren of de bezetting verlagen.
  1. Capaciteit centrale luchtbehandeling vergroten.
  • Onderzoek of het debiet van de luchtbehandeling vergroot kan worden;
  • Zijn de ventilatoren van frequentieregeling voorzien? ;
  • Controle vermogen verwarmer en koeler bij ontwerpcondities buitencondities en vergroot debiet;
  • Controle op inregeling systeem bij vergroot debiet;
  • Vergroten van het debiet kan een hoger energieverbruik tot gevolg hebben.

 

 

  1. Centrale luchtbehandeling heeft een recirculatie voorziening.
  • Als de luchtbehandeling is uitgevoerd met een centrale recirculatie, is het vooral van belang of het verse lucht aandeel voldoende groot is. Functioneren met 100% buitenlucht heeft vanuit de luchtverversing de voorkeur, maar is niet altijd nodig. Ook vanuit oogpunt van gezonde gebouwen wordt centrale recirculatie tegenwoordig niet meer toegepast, maar bestaande gebouwen kunnen nog een dergelijke installatie hebben. Recirculatie is hierbij veelal een reden tot reductie op verwarmings- en koelvermogen. In dergelijke situaties leidt 100% functioneren op buitenlucht eerder tot een minder goed werkend ventilatiesysteem. Recirculatie kan dan juist de ventilatie effectiviteit verhogen als 100% met buitenlucht niet haalbaar is. Maar uit het oogpunt van luchtkwaliteit is wel het advies om de hoeveelheid verse lucht zo groot mogelijk te maken en daarmee de recirculatie zoveel mogelijk te beperken als mogelijk is binnen de comforteisen.
  • Controle vermogen verwarmer en koeler bij ontwerpcondities buitencondities en 100% buitenlucht.

Bij voldoende capaciteit verhogen buitenluchtaandeel;

  • Aanpassen instelling regeling centrale luchtbehandeling, zodat de sturing van de mengluchtregeling wordt aangepast naar een 100% buitenlucht of een minimaal benodigd recirculatiedeel;
  • Sluiten van recirculatie kan een hoger energieverbruik tot gevolg hebben.

 

 

  1. Centrale luchtbehandeling heeft een toerenregeling op basis van CO.
    Als de luchtbehandeling is uitgevoerd met een toerenregeling op basis van CO₂, waarbij de luchthoeveelheid wordt verminderd bij een lagere CO₂ gehalte, dan moet deze regeling worden uitgezet, of in ieder geval zo worden ingesteld dat de verse lucht hoeveelheid nooit onder de gestelde eisen komt.
    Afhankelijk van de locatie van de CO₂ opnemer kan optioneel het setpunt van de regeling zodanig worden versteld dat de regeling in de praktijk ook niet meer ingrijpt. Bijvoorbeeld door bij een CO₂ sensor in de ruimte deze in te stellen op 350 ppm of lager. Deze waarde komt overeen of is lager dan de buitenconditie waardoor de regeling maximaal verse lucht levert.
  2. Capaciteit van de centrale luchtbehandeling voldoet niet aan de huidige of gewenste bezetting.

Verlaag de bezetting van een gebouw. Doordat de beschikbare ventilatielucht voor minder personen nodig is, stijgt het verse lucht debiet per persoon. Let op dat hierbij de mensen niet geconcentreerd worden op één locatie, maar juist over het gebouw worden verspreid. Hou hierbij rekening met de 1,5 meter regeling en vergroot bij voorkeur de afstand tussen mensen (indien mogelijk).
Dit kan ook een tussentijdse oplossing bij gelijkblijvende gebruikerseisen.

Is verlaging van de bezetting niet mogelijk, dan is het advies om een onderzoek naar de mogelijkheden tot het vergroten van de ventilatie capaciteit uit te voeren.

  1. Wat te doen met een gebouw of ruimte met beperkte of alleen natuurlijke ventilatie?
  • Bij voorkeur deze ruimte niet gebruiken;
  • Instrueer de gebruikers om altijd de ramen open te zetten, minimaal op een kier;
  • Probeer bij voorkeur een vorm van dwarsventilatie te realiseren door het tegen elkaar openzetten van ramen of deur(en). Probeer echter te voorkomen dat mensen op de tocht zitten.
  • Men dient zich te realiseren dat spuien op zich geen alternatief is, de ventilatie dient altijd op orde te zijn. Advies is dan ook om ruimten die onvoldoende geventileerd kunnen worden, niet te gebruiken.
  • Als dergelijke ruimten wel worden gebruikt:
    • Houd regelmatig pauzes waarbij de ruimte fors geventileerd wordt door de ramen geheel open te zetten.
    • Breng in deze ruimte een CO₂ sensor aan met indicatie, via display of “stoplicht” (groen = CO₂ gehalte voldoende laag , oranje (600 ppm) = let op meer ventileren, rood (>900ppm) = onveilig, verlaat de ruimte en extra doorspoelen. LET OP: de CO₂ sensor is geen maat voor het besmettingsrisico, maar slechts een indicator voor de ventilatie capaciteit en efficiëntie.
    • Bij continue te hoge CO₂ concentratie, bezettingsgraad verlagen.

 

8.2.     Aanpassen bedrijfstijden ventilatie

 

Door de bedrijfstijden van de ventilatie te vergroten ten opzichte van de gebruikstijden, wordt een betere doorspoeling van het gebouw gerealiseerd. Dit voor- en naventileren wordt in veel installaties ook al gedaan vanuit comfort oogpunt, waarbij men eerder start om het gebouw al op temperatuur te hebben voordat de gebruikers arriveren, en aan het einde van de dag om de warmte “eruit te draaien”. Als deze functies al aanwezig zijn, is extra ventileren veelal niet noodzakelijk. Aanvankelijk werd aangegeven om 24 uur door te ventileren, dit is echter bijgesteld, een beperkte voor- en na ventilatie is ook voldoende.

 

Hoe te realiseren?

Door de ventilatie bijvoorbeeld 2 uur voor aanvang van de gebruikstijd en 2 uur langer door te laten functioneren op nominaal debiet wordt een betere doorspoeling gerealiseerd en na afloop van de gebruikstijd wordt de vervuilde lucht afgevoerd. Exacte doorventileertijd is te bepalen op basis van de ventilatievoud van de ruimten.

  • Aanpassing kan veelal door het aanpassen van de klokprogramma’s in de meet- en regelinstallatie;
  • Let op bij meerdere klokprogramma’s dat ze allemaal worden aangepast;
  • Controleer ook of warmte- en koude opwekking worden ingeschakeld;
  • Vergroten van bedrijfstijd zal een hoger energiegebruik tot gevolg hebben, het verdient dan ook aanbeveling om deze functie te combineren met een zelflerende aanwarmfunctie om onnodig ventileren te voorkomen.

 

8.3.      Continubedrijf ventilatie instellen

 

In navolging op het vergroten van de bedrijfstijd wordt ook wel geadviseerd om indien mogelijk de ventilatie buiten bedrijfstijd door te laten draaien. Het is echter niet noodzakelijk om de installatie 24 uur door te laten functioneren. Bij een efficiënt systeem zijn de ruimten na een aantal uur voldoende doorspoeld om de vervuilde lucht voldoende af te voeren. Het is hierbij voldoende om het gebouw een beperkte tijd voor en na gebruik extra te ventileren, zie 8.2.

Indien men er toch voor kiest om de installatie ‘s nachts door te laten draaien, is het advies om de ventilatie buiten bedrijfstijd op een lager toerental te laten functioneren.

8.4.      Openen van ramen

 

In gebouwen zonder mechanische ventilatie is het advies actief gebruik te maken van de te openen ramen. Veel meer dan men normaal al zou doen. Ook als dit leidt tot lokaal thermisch discomfort. Het openen van ramen is dan namelijk de enige mogelijkheid om een ruimte te kunnen ventileren. Men dient zich er echter terdege van bewust te zijn dat het vanuit het oogpunt van besmettingsgevaar zeer onwenselijk is om ruimten zonder ventilatie te gebruiken.

Hoe te realiseren?

De ramen dienen zoveel als mogelijk te worden geopend, ook voorafgaand aan het gebruik van de ruimte. Probeer ook meerdere ramen tegenover elkaar open te zetten om doorspoeling te vergroten.

Gepoogd kan worden of openen van ramen/deuren door iemand kan geschieden voorafgaand aan de bedrijfstijd. Dit geldt ook voor het sluiten ervan. Wel dient hierbij het aspect veiligheid en ongewenste toegang tot het gebouw in de gaten te worden gehouden.
Daarnaast dient men zich ervan bewust te zijn dat tochtstromen veelal zullen leiden tot discomfort en tevens kunnen leiden tot overdracht van persoon naar persoon wanneer men in “elkaars luchtstroom” zit.
Zie ook 8.6 punt 6.

 

8.5.      Ventilatie en ruimtegebruik

 

Voor het gebruik van ventilatie is er een aantal aandachtspunten, om verspreiding en besmetting zoveel mogelijk te voorkomen:

  • Voorkom dat een ruimte wordt gebruikt door meer personen dan waar deze voor ontworpen is;
  • Voorkom dat personen in de luchtstroom van een ander zitten;
  • Voorkom ook luchtstromen door het gebouw van de ene zone/kantoortuin naar de andere;
  • Zorg voor juiste luchtrichting, zoveel mogelijk vanaf ruimte direct naar buiten en niet via een gang of andere ruimte;
  • Geen lange meetings met veel personen in een kleine ruimte met beperkte ventilatie.

 

Hoe te realiseren?

  • Voorkom gebruik door te veel personen

Geef duidelijk bij de entree van de ruimte aan hoeveel personen deze ruimte mogen gebruiken. Leg dit ook vast in interne protocollen;

  • Voorkomen luchtstroom naar een ander persoon
    Controleer hoe de lucht wordt ingeblazen in de ruimte en als dit een flinke luchtstroom van de een naar de ander geeft, pas dan de zitposities aan (of het pas het systeem of de wijze van inblazen (inblaaspatroon) aan). Let op aanpassen inblaaspatroon kan leiden tot tochtklachten;
  • Voorkomen luchtstroom tussen 2 ruimten/zones
    Controleer luchtstromen, bijvoorbeeld met testrook. Sluit deuren tussen ruimten (indien aanwezig) en plaats schermen tussen zones om deze van elkaar te scheiden.
    Pas inblaaspatronen roosters aan waar nodig.
  • Controleer luchtstromen, bijvoorbeeld met testrook.
    Controleer het ontwerp van de luchtinstallatie en bepaal in hoeverre aanpassing mogelijk is. LET OP: Bij afwezigheid van mechanische ventilatie kan luchtstroming door weersveranderingen wisselend zijn.
  • Ruimten met onvoldoende ventilatie
    Stel ruimten met onvoldoende ventilatie buiten gebruik of beperk het aantal personen.
    LET OP: Spuien van ruimten na afloop van een meeting is geen alternatief. Er moet voldoende continu geventileerd worden ook tijdens de meetings, zodat de deeltjes continu verdund en afgevoerd worden;

 

 

 

8.6.      Toilet ventilatie

 

Belangrijk is dat de ventilatie zodanig is dat de sanitaire ruimten op onderdruk staan ten opzichte van de omringende ruimten. De afzuiging van de toiletten kan 24/7 in bedrijf zijn. Wanneer er binnen bedrijfstijd een adequate reiniging van de toiletten plaatsvindt, kan de schakeling van de afzuigventilatie meeschakelen met de (verlengde) bedrijfstijden volgens 8.2..

 

Uitgaande van een juist functionerende ventilatie en voldoende schoonmaak, wordt thans het besmettingsrisico via bezoek aan een toilet zeer laag ingeschat en behoeven er geen aanvullende maatregelen te worden getroffen. Het advies is wel om de schoonmaakfrequentie van de toiletten zelf te verhogen.

8.7.     Sanitaire hygiëne 

 

Voor sanitaire ruimten is een aantal beheerprotocollen noodzakelijk:

  • Voorkom uitdroging van syphons bij langdurige stilstand/niet gebruik door periodiek door te spoelen of een beetje olijfolie of iets dergelijks in de syphon te gieten.
  • Voorkom legionella besmetting bij langdurige stilstand/niet gebruik.
    Als een gebouw langdurig buiten gebruik is geweest als gevolg van thuiswerken/beperkte bezetting, wordt geadviseerd een risicoanalyse uit te voeren ten aanzien van legionella risico’s en benodigde maatregelen te treffen.

Denk hierbij ook aan vloerputten en syphons in technische ruimten en werkkasten, hiervoor gelden dezelfde maatregelen.

8.8.     Recirculatie voorkomen (centraal)

 

Als de luchtbehandeling is uitgevoerd met recirculatie, deze voorziening nader beschouwen en de mogelijkheid onderzoeken om dit te beperken of uit te zetten en alleen draaien met 100% buitenlucht, zie ook 8.1. Dit geldt ook voor recirculatie van lucht tussen verschillende ruimten, waarbij de lucht van de ene ruimte naar de andere ruimte wordt gebracht. Voor dit laatste geldt wel dat ventilatie efficiëntie belangrijker is dan beperken recirculatie.

 

Hoe te realiseren?

Zie ook punt 8.1. onderdeel 3

  • Aanpassen instelling regeling centrale luchtbehandeling zodat de sturing van de mengluchtregeling ongedaan wordt gemaakt.
  • Fysiek vastzetten van de mengluchtklep zodat zeker is dat deze gesloten blijft.
  • Controle vermogen verwarmer en koeler bij ontwerpcondities buitencondities en 100% buitenlucht.
  • Let op ventilatie effectiviteit, deze moet geborgd zijn bij aanpassing van de menglucht instellingen.

 

8.9.     Warmteterugwinning apparatuur controleren

 

Voor luchtbehandeling zijn diverse warmte terugwin systemen mogelijk. Vanuit de quick-scan zijn de aanwezige systemen bekend. Afhankelijk van de uitvoering is echter risico op besmetting of overdracht aanwezig. Dergelijke systemen moeten worden aangepast of uitgezet. De volgende systemen worden (meestal) toegepast:

  • Recirculatie/menglucht
  • Twin-coil systeem
  • Warmtewiel
  • Kruisstroomwisselaar

 

 

Hoe te realiseren?

Controle op toegepast warmte terugwin systeem

  • Recirculatie/menglucht
    Bij dit systeem is het risico op besmetting van vervuilde retourlucht aanwezig.
    - Recirculatie bij voorkeur uitzetten. Dit kan door de instelling van de regeling aan te passen.
    - Fysiek vastzetten van de mengluchtklep zodat zeker is dat deze gesloten blijft.

    -   Controle vermogen verwarmer en koeler bij ontwerpcondities buitencondities en 100% buitenlucht.

    -   Let op ventilatie effectiviteit, deze moet geborgd zijn bij aanpassing van de menglucht instellingen.

Zie ook punt 8.1. en 8.8

  • Twin-coil systeem
    Bij een twin coil systeem is er geen gevaar voor besmetting. Een dergelijk systeem kan gewoon inbedrijf blijven.
  • Warmtewiel
    Een warmtewiel heeft een klein luchtlekkage van afvoer naar toevoer. De belangrijkste lekkage van een warmtewiel bevindt zich van de afvoerzijde naar de vers toevoerlucht ter plaatse van de fysieke overgang 

tussen toevoer en afvoer. Als de afzuigventilator, stroomopwaarts gezien, achter het wiel is geplaatst is deze lekkage gering vanwege de onderdruk. Maar een (kleine) lekkage blijft aanwezig. 

Moderne warmtewielen zijn meestal voorzien van een spoelzone, zodat bij de overgang van afvoer naar toevoer eventuele restlucht in de het warmtewisselende pakket naar de afvoer wordt  afgevoerd. 

Hiermee wordt voorkomen dat vervuiling uit de afgevoerde lucht via de rotatie van het warmte wiel in de vers toegevoerde lucht komt, echter ook bij deze systemen treedt een kleine lekkage op. 
Indien een warmtewiel goed is geconstrueerd, ingebouwd en onderhouden, is het lekpercentage zeer laag (1-2%). Dit type warmtewiel kan gewoon blijven functioneren. Het advies is wel om de het onderhoud aan het warmtewiel conform de richtlijnen van de fabrikant uit te laten voeren.

Is een warmtewiel zo ingebouwd, dat er een hogere persdruk aanwezig is aan de afblaaszijde, dan is er wel een significante lekkage die meer dan 5% kan bedragen. Dan is er een overdracht van de afvoerlucht naar de toevoerlucht. Hierdoor is er een mogelijkheid tot overdragen van besmetting als gevolg van de druk hiërarchie en lekverlies. In normalen (kantoor) situaties is de kans op overdracht van besmetting gering, ervanuit gaande dat er geen COVID verdachte personen aanwezig zijn.

-   het advies is om het warmtewiel te controleren op juiste constructie, inbouw, lekkage en onderhoud. Indien dit voldoet, kan het warmtewiel in bedrijf blijven.

-   Indien het niet voldoet en met name de druk-hiërarchie niet goed is, is aanvullend onderzoek nodig, in welke mate de lekkage zich voordoet en wat de situatie in het gebouw is in relatie tot de aanwezigheid van COVID besmette personen.

-   LET OP: bij stilzetten van het warmtewiel zal dit eenzijdig vervuilen, waardoor deze voordat het warmtewiel weer wordt aangezet, eerst goed gereinigd moet worden.

-   Controle van het vermogen verwarmer en koeler bij ontwerpcondities buiten-condities en 100% buitenlucht is ook nodig.

 

  • Kruisstroomwisselaar

Een kruisstroomwisselaar heeft een minimale lekkage van lucht. Een kruisstroom warmtewisselaar met een drukregime waarbij de druk ter plaatse van de 

kruisstroom wisselaar hoger is dan de druk van de afgevoerde lucht ter plaatse van de 

warmtewisselaar resulteert in een lage mate van luchtoverdracht, in de range van 2%. Dit is aanvaardbaar en de kruisstroomwisselaar kan gewoon inbedrijf blijven.
Indien het lekverlies groter is, wordt geadviseerd om te proberen dit te verhelpen. Indien dit niet kan, stel dan de kruisstroomwisselaar buiten gebruik door de by-pass klep continu open te zetten.

 

8.10.         Fancoil units en plafond inductie units, (recirculatie lokaal)

 

Fancoilunits en Inductie units zijn lokale systemen die de ruimten verwarmen en of koelen. Zij zijn uitgevoerd met recirculatie van de lucht in één gemeenschappelijke ruimte. Recirculatie van ruimtelucht kan bijdragen tot verspreiding van het virus. Echter zonder de recirculatie units zal het virus zich ook kunnen verspreiden door de ruimte, met recirculatie gaat het wellicht wat sneller. Daarentegen zal de lokale concentratie in de nabijheid van de bron door een dergelijk systeem sneller afnemen. Maar als men beschouwt dat dit gaat om een ruimte waarin men zich een langere tijd bevindt, is deze bijdrage minimaal. Belangrijk is dat er voldoende verversing is van de ruimtelucht door toevoer van verse lucht. De verse lucht zorgt voor verdunning en de afvoer van vervuilde ruimtelucht. Omdat deze units ook zorgen voor een goede verdeling van de lucht en efficiëntie van de ventilatie, moeten deze zeker niet worden uitgezet.

 

Zaak is wel dat deze recirculatie units alleen kunnen worden toegepast als er in de ruimte tevens voldoende verse lucht wordt toegevoerd. Vraag is wat is voldoende? Zie 8.1 aanpassen ventilatie hoeveelheden. Wat een veilige minimale ventilatievoud moet zijn, is op dit moment niet bekend, hier wordt onderzoek naar gedaan. Maar door de waarden uit hoofdstuk 8.1 aan te houden, wordt op moment als voldoende beschouwd.

 

Hoe te realiseren?

Vanuit de quick-scan is bekend welke systemen aanwezig zijn, hoe ze zijn gedimensioneerd en welke capaciteiten ze hebben in relatie tot de ruimte en de bezetting.

Bij toepassing van Fancoil units:

  • Hoeveel verse lucht wordt toegevoerd?
  • Kan deze worden vergroot?
  • Is de verse lucht direct aangesloten op de fancoil unit of op aparte roosters? Bij een directe aansluiting zal bij verhoging van het verse lucht aandeel, de unit afhankelijk van de primaire luchttemperatuur ook meer capaciteit moeten kunnen leveren;
  • Gedurende gebruikstijd, moet de ventilator van de unit altijd in bedrijf zijn en mag niet worden uitgeschakeld.

 

Bij toepassing van Inductie units:

  • Wat is de capaciteit van de units met name de luchthoeveelheden?
  • Hoeveel verse lucht wordt toegevoerd? Bij vergroten van de luchthoeveelheid moeten veelal ook de nozzles van de unit worden aangepast. Een afstemming met de leverancier is nodig om te bepalen wat mogelijk is. Kan dit zonder vervanging van de unit?
  • Gedurende gebruikstijd, moet de unit altijd in bedrijf zijn en mag niet worden uitgeschakeld.

 

8.11.    Verwarming, Koeling en mogelijke bevochtiging setpoints

 

De gemiddelde instellingen die gelden voor klimaatinstallaties zijn voor temperatuur circa 21 tot 24°C en voor de relatieve vochtigheid 40 tot 60% (bij een geregelde luchtvochtigheid). Vraag is of het aanpassen van deze instellingen een bijdrage kan leveren tot het beperken van de verspreiding van het COVID-19 virus.

 

Er is nog weinig bekend van de relatie tussen temperatuur en relatieve vochtigheid en de levensvatbaarheid van het COVID-19 virus. In beperkte studies is naar voren gekomen dat slechts extreme condities (> 30°C en >80%RV) van invloed zijn op de levensduur van het virus. Een lager relatieve vochtigheid zorgt er wel voor dat kleine aerosole deeltjes afnemen in diameter en zich sneller verspreiden in de ruimte, waardoor de concentratie van deze deeltjes daalt en ze sneller worden afgevoerd.

Droge lucht (lager dan 20%RV) heeft invloed op het functioneren van de slijmvliezen van personen die hier vatbaar voor zijn. Geïrriteerde slijmvliezen kunnen minder goed hun “stof-zuig” functie doen en hierdoor kan een zeer droge omgeving van invloed zijn op de vatbaarheid van mensen, maar niet op de verspreiding van het virus. Onder normale omstandigheden zal de relatieve vochtigheid in een ruimte zonder bevochtiging zich tussen de 30 en 70% bevinden. Waarmee de condities dus niet vragen om een extra be- of ontvochtiging van de lucht. Ook de heersende ruimtetemperaturen van 21 tot 24°C zijn geen reden tot aanpassing.

 

Geadviseerd wordt om geen aanpassingen aan de instellingen van de klimaatinstallaties te doen.

Indien een hygroscopisch warmtewiel aanwezig is wat is stilgezet, moet men er wel rekening mee houden dat door het ontbreken van vochtterugwinning, de luchtvochtigheid mogelijk kan afwijken van de reguliere waarden.

 

8.12.      Reiniging kanalen

 

Het periodiek reinigen van luchtkanalen is over het algemeen (en mits goed uitgevoerd) zinvol, maar het heeft geen impact op het verminderen van de infectieoverdracht van het coronavirus. Uitganspunt hierbij is dat er geen recirculatie plaatsvindt in het centrale luchtbehandelingssysteem. Daarnaast is het COVID-19 virus zeer klein waardoor afzetting in kanalen minimaal zal zijn. Als het virus hecht aan een groter deeltje kan er wel afzetting plaatsvinden, maar dit zal het binnen enkele dagen niet meer levensvatbaar zijn.

 

8.13.      Wat te doen met luchtfilters

 

  • Centrale buitenluchtsystemen:

De luchtfilters in een centrale luchtbehandelingskast die buitenlucht aanzuigen, worden niet blootgesteld aan het COVID-19 virus. Deze hoeven daarom niet extra vervangen te worden. Het hanteren van de normale vervangingsfrequentie is voldoende. De retourfilters van een centrale luchtbehandelingskast, beschermen over het algemeen een warmteterugwinsysteem tegen vervuiling. Er vanuitgaande dat er geen recirculatie wordt toegepast, hoeven ook hier de filters niet extra vervangen te worden.
Het advies is om bij vervanging van het filter, wel voldoende PBM’s te gebruiken (handschoenen, adembescherming, veiligheidsbril (liever nog gelaatsmasker), en het oude filter in een afsluitbare zak te doen.

LET OP: indien vanwege de lock-down een systeem lange tijd heeft stilgestaan kunnen filters vervuilen doordat stilstaande lucht schimmel- en bacteriegroei kan veroorzaken. Het advies is de filters dan wel te vervangen.

 

  • Decentrale filters

Decentrale filters in bijvoorbeeld fancoil units of inductie units hoeven niet vervangen te worden. Hanteer de normale vervangingsfrequentie.

 

  • Lokale filter/reiniging door UV-C , Ionisatie etc.

Uit studies volgt dat toepassing van UV-C straling virus kan inactiveren en de overlevingsgraad omlaag kan brengen. Dit geldt ook voor ionisatie van lucht en luchtzuivering met ozon. Men moet zich realiseren, dat dergelijke studies veelal zijn gedaan in een gecontroleerde (laboratorium) omgeving en dat de systemen nog niet voldoende zijn getest in de praktijk op het COVID virus.

De opstelling en implementatie van een dergelijke unit zijn van groot belang. Het heeft geen zin om een unit in de hoek van de ruimte te zetten. Bij toepassing van UV-C units moet het proportioneel zijn in relatie tot het houden van voldoende afstand, de mate van ventilatie, de kans op de aanwezigheid van besmetting of een besmet persoon en de bezetting van de ruimte. Ook belangrijk bij deze vormen van luchtzuivering, is het ontstaan van restproducten die een risico kunnen vormen voor de gezondheid. Denk hierbij aan een overmaat aan ozon wat leidt tot hoofdpijn, duizeligheid en keelpijn. Een goed regelsysteem, juiste afstelling en controle zijn essentieel voor het gebruik van deze systemen. Als hier oog voor is, is er geen belemmering voor het gebruik van deze filters, echter dient men wel te realiseren dat de effectiviteit sterk afhankelijk is van de capaciteit van het filter in relatie tot de ruimte waarin het wordt toegepast.

 

Lokale luchtreinigers zijn meestal geschikt om een beperkte ruimte te reinigen. Bij toepassing van een lokaal filter systeem is een goede recirculatie over de units van belang. Er dient extra aandacht te zijn voor de capaciteit en Clean-Air-Delivery Rate scores van de units. Voldoende doorspoeling van de ruimte moet zijn gewaarborgd. Vraag een onafhankelijk specialist om nader advies alvorens tot aanschaf van lokale air-cleaners over te gaan.  Toepassing van HEPA filters in bijvoorbeeld een recirculatie-unit in plaats van bovengenoemde filter technieken is naar verwachting minstens zo efficiënt.

LET OP: lokale luchtreinigers zijn geen vervanging van ventilatiesystemen maar additioneel! De beschreven methoden zoals UV-C reiniging, ionisatie en HEPA filters kunnen ook worden toegepast binnen bestaande kanaalsystemen en luchtbehandeling. Dit vraagt echter wel de nodige aanpassingen ten aanzien van inbouw en regeling. Bij toepassing van HEPA filters dient rekening te worden gehouden met een significante stijging van de benodigde druk.

 

Hoe te realiseren?

Bij lokale filterunits:

  • Bepaal capaciteit van de unit in relatie tot de ruimte (realiseer dat de capaciteit ten opzichte van de ruimte vaak beperkt is. Voor een volledige benutting is een doorspoeling van minimaal 2 tot 5x de ruimte-inhoud nodig);
  • Bepaal een juiste opstelling in relatie tot bezetting en gebruik van de ruimte;
  • Kies een apparaat dat voorzien is van een voldoende nauwkeurige regeling;
  • Controleer of er voldoende (elektrische) voeding beschikbaar is.

 

 

Bij filterunits in centrale luchtsystemen:

  • Bepaal capaciteit van de unit in relatie tot het luchtsysteem (dit leidt veelal tot een behoorlijke investering);
  • Kies een apparaat dat voorzien is van een voldoende nauwkeurige regeling;
  • Controleer of er voldoende (elektrische) voeding beschikbaar is;

Controleer bij toepassing van HEPA filters of de voldoende druk beschikbaar is in het ventilatiesysteem.

 

8.14.     Binnen luchtkwaliteit monitoring en andere GBS data.

 

Door monitoring van de binnenluchtkwaliteit kan voortijdig worden gesignaleerd wanneer er bijvoorbeeld onvoldoende wordt geventileerd. Voor het bepalen van de luchtkwaliteit wordt vaak gebruik gemaakt van CO₂ sensoren. Het CO₂ gehalte in de lucht is namelijk een afgeleide waarde van de kwaliteit van de lucht. Dit wil niet zeggen dat een hoge concentratie CO₂ in de lucht ook direct een hoog infectueuze lucht betekent. Dit impliceert alleen dat de verversing van de lucht minder goed is. Met het oog op de verdunning en afvoer van vervuilde lucht kan een hoge CO₂ waarde dus een waarschuwingsfunctie hebben dat ventilatie onvoldoende is.

 

Vanuit de quick-scan is naar voren gekomen of er en welke sensoren in het gebouw worden toegepast. Indien op het gebouwbeheersysteem luchtkwaliteitssensoren zoals CO₂ en TVOC sensoren zijn aangesloten, zal bepaald moeten worden waar deze metingen worden gedaan en in hoeverre deze kunnen worden terugvertaald naar de ruimten en hun gebruikers. Worden de CO₂ sensoren gebruikt voor sturing van het toerental van de centrale luchtbehandeling, dan moeten deze regelingen (tijdelijk) buiten gebruik, of minimaal aangepast naar meer verse lucht, worden gesteld door verstelling van het setpunt (zie ook 8.1. aanpassen ventilatie hoeveelheden).

 

Het verdient aanbeveling om in alle gebruikersruimten een CO₂ sensor op te hangen met lokale uitlezing en een stoplicht functie. Gebruikers kunnen dan zelf zien hoe het met de luchtconditie in de ruimte gesteld is. Zij kunnen zelf hun maatregelen nemen volgens een vooraf uitgereikte instructie (openen ramen, deuren of ruimte verlaten en doorspoelen). Voor ruimten die geen mechanische ventilatie hebben, maar slechts voorzien zijn van natuurlijke ventilatie is toepassing van lokale sensoren een dringend advies. (Beter nog is deze ruimten niet, of anders zo min mogelijk, te gebruiken).

 

Op moment zijn er diverse (web-based) oplossingen voor lokale CO₂ sensoren beschikbaar. Hiermee kan lokaal de conditie bewaakt worden. Door deze sensoren via internet of via GBS te monitoren, is men ook nog aanvullend in staat om patronen te herkennen en hierop te anticiperen. Bijvoorbeeld de stijging van het CO₂ gehalte heeft een directe relatie met de bezetting als gevolg van geplande vergaderingen. Ook kunnen dag-week- en maand rapporten worden uitgedraaid en herhalingen in hoge concentraties worden geïdentificeerd zodat maatregelen kunnen worden genomen.

 

Hoe te realiseren?

CO sensoren sturen centrale luchtbehandeling aan:

  • Uitzetten van de CO₂ regeling waardoor altijd maximaal geventileerd wordt;
  • Optioneel: Aanpassen instelling regelsetpunt. Waarbij een instelling op 350 ppm CO₂ leidt tot maximaal ventileren (350-450 ppm CO2 dit komt overeen met de buitenlucht kwaliteit waardoor de unit maximaal zal gaan ventileren om dit te halen). Het is ook mogelijk om het setpunt hoger in te stellen, met inachtneming van de minimale ventilatie hoeveelheden die nodig zijn;
  • Neem de sensoren op in een trendregistratie op het GBS en monitor de optredende waarden. Indien deze nog steeds te hoog zijn (hoger dan 900ppm bij volledige ventilatie) dan moet de werking van het ventilatiesysteem worden gecontroleerd en een controle op de bezetting van het gebouw of de ruimte (te veel mensen voor de beschikbare verse lucht);
  • Onderzoek de mogelijkheid (technisch en budgettair) tot uitbreiding van het aantal sensoren eventueel icm een web-based sensor netwerk (zie onder).

 

CO sensoren lokaal ter signalering:

  • Inventariseer aantal ruimten en bezettingen (bekend vanuit de quick-scan);
  • Inventariseer de verschillende mogelijkheden voor meting en plaatsing van de CO₂
    • lokaal en stand-alone;
    • lokaal en aangesloten op GBS;
    • lokaal in een web-based sensornetwerk;
    • batterijgevoed – of externe voeding…..

Het advies is om hier een expert bij te betrekken. Er zijn tal van partijen die sensoren aanbieden. Al dan niet met een web-based (draadloos) netwerk. Een dergelijke netwerkoplossing kan veelal eenvoudig worden aangebracht, doordat sensoren batterij gevoed zijn en draadloos kunnen communiceren. Als gevolg van de batterijvoeding ontbreekt hier dan wel vaak een display of stoplichtfunctie;

  • Bepaal budget en technische mogelijkheden;
  • Bij toepassing van een lokale CO₂ sensor bij voorkeur ook een display met alarmering en/of een stoplicht functie: “stoplicht” (groen = veilig , oranje (600 ppm) = let op meer ventileren, rood (>900ppm) = onveilig, verlaat de ruimte en extra doorspoelen;
  • Zorg dat er een duidelijke instructie voor de gebruikers beschikbaar is.
    • Slimmer gebruik van de beschikbare data in het GBS en Apps

 

Het gebouwbeheersysteem beschikt over veel data waar nauwelijks iets mee gedaan wordt. Tijdens de quick-scan kan middels een verdiepingsslag een overzicht worden gemaakt van de beschikbare signalen. Dit zijn naast de temperatuur, RV en CO₂ metingen, bijvoorbeeld ook de grenswaarde meldingen van vervuiling filters, bedrijfsuren tellingen, en bedrijfs- en storingsmeldingen van pompen en ventilatoren, maar bijvoorbeeld ook de aanwezigheid van personen in de ruimte of hun aantal. Aan de hand van temperatuur, CO₂ en aanwezigheid trends kan een beeld worden gevormd van de bezetting van het gebouw en kan hierop gestuurd worden in de operationele sfeer.

Door storingsafhandeling en onderhoud beter af te stemmen op de gegevens vanuit het GBS kunnen potentieel gevaarlijke situaties (beter) worden voorkomen. Bijvoorbeeld:

  • Vervanging/controle filters obv grenswaarde melding filters vervuild ipv tijdgestuurd (1x per/jaar);
  • Debietmetingen van luchtbehandelingsystemen, bij onderschrijding van het setpunt een alarm dat er te weinig geventileerd wordt;
  • Idem bij uitval van systemen, direct melding dat er onvoldoende geventileerd wordt.

 

Kortom door beter gebruik te maken van beschikbare data binnen het GBS kan adequater worden gereageerd op storingen en kunnen potentieel gevaarlijke situaties in het kader van COVID-19 (te weinig ventilatie of slecht functionerende systemen) worden voorkomen.

 

Daarnaast zijn er binnen de gebouwde omgeving inmiddels diverse applicaties beschikbaar (al dan niet via het gebouwbeheersysteem, of middels aanvullende APPs op mobiele telefonie).

 

Voorbeelden hiervan zijn:

  • Ruimte beheer en reservering werkplekken via GBS of APP.
    Hiermee kan (online) een beeld worden gevormd van de beschikbaarheid en bezetting van ruimten en werkplekken. Door een systeem op te zetten waarbij gebruikers vooraf hun werkplek moeten reserveren kan gestuurd worden op de bezetting van een gebouw.
  • Reservering van vergaderruimten via GBS of APP.
    Hiermee kan (online) een beeld worden gevormd van de beschikbaarheid en bezetting van vergaderruimten. Door een systeem op te zetten waarbij gebruikers vooraf vergaderruimte moeten reserveren kan gestuurd worden op de bezetting van de vergaderruimten en het aantal personen/ruimte.
  • Heatmaps ten aanzien van aanwezigheid van hoeveelheid personen. Dit kan zowel binnen een gebouw of buiten. Via APPs kan men informatie zien waar het (te) druk is.
  • Op basis van de telling via het toegangscontrole systeem is het aantal personen in het gebouw bekend en kan de ventilatie hierop worden afgestemd. (Opmerking: dit gaat dan met name om de minimum in te stellen hoeveelheid)
    Dit kan nog nauwkeuriger mits er meer data beschikbaar is van locatie van de personen in het gebouw. (bijvoorbeeld door aanwezigheidsregistratie in het GBS)
  • Crowd monitoring via 3D camera, met dit systeem kan een inzicht worden gegeven van drukte en onderlinge afstand.

 

Dit hele hoofdstuk is gericht op het praktisch maken van de theoretische maatregelen. Wij hopen dat deze informatie van nut is in uw dagelijkse praktijk.